Vita

Kort verhaal door Joanne van Beek



‘Wanneer heb je voor het laatst gespeeld?’ vroeg ze.

Ik zag haar ijsberen vanuit het raam van de trein. Vita bewoog zich over het perron met een sjaal die zo lang was dat hij over de grond sleepte ook al had ze hem om haar hoofd gewikkeld om haar krullen te beschermen tegen de kou. Ze liep glimlachend op me af, haar armen wijd open gespreid. Op haar wangen stonden rode blosjes. December deed haar goed.

‘Wanneer heb je voor het laatst gespeeld?’ vroeg ze.

Als antwoord maakten we sneeuwengelen, schuifelden we over bevroren sloten tussen de achtertuinen met hun perfect schoongeveegde paden. We lieten ons in skipakken van de hellingen het ijs op glijden en aten verse patat in het kraampje aan de rand van de stad. Een vrouw met diepe groeven in haar gezicht zat in een hoekje driftig aardappelen te snijden, terwijl haar zoon onze kaassoufflés in het frituurvet liet zakken. Vita kauwde met gesloten ogen.

‘Hiervoor mag je me altijd wakker maken,’ zei ze met volle mond.

Ik vroeg me af of ze ooit sliep. Of ze zelfs dan niet in duizend werelden leefde. Ik wilde weten wat er zich achter haar oogleden afspeelde en moest de verleiding weerstaan om ze als rolgordijnen open te trekken.


‘Ik was vorige week in Frankrijk,’ zei ze later. We zaten aan de keukentafel en aten pannenkoeken. Ze smeerde er een dikke laag ahornsiroop op. Ik wist niet wat ik moest zeggen, maar hoopte dat mijn vragen doorklonken in de stilte. Zij antwoordde zonder aarzeling.

Ze had hem ontmoet op een festival waar ze zoals gewoonlijk de jongste was. Hij nam haar mee naar zijn tent, beloofde haar Parijs en was deze belofte twee weken later nagekomen.

‘We sliepen midden in de stad op een matras in zijn studio vol met niets en kunst, waren de hele dag naakt. We deden het overal en rookten na afloop sigaretten op zijn balkon.’

Ik hing aan haar lippen en wentelde me in het cliché dat ze voor me uittekende. Ik wilde met mijn nagels de kieren van haar huid openklauwen, erin kruipen en heel even leven zoals zij leefde.

‘Hij schilderde me, kuste steeds mijn billen,’ vertelde ze terwijl ze met haar andere hand een beetje whisky ronddraaide in een limonadeglas. Niet veel later keek ik naar Cartoon Network op de grote zwarte tv, terwijl zij zich over haar wiskunde huiswerk boog.


Ik keek toe vanaf mijn stoel en zat op mijn handen.

‘Zullen we dansen?’ vroeg ze toen we ’s avonds met haar vrienden in de bioscoop zaten. Zonder op antwoord te wachten, stond ze op en ging voor het scherm staan. Haar handen stak ze in de lucht. Het was rustig in de bioscoop, afgezien van onze groep en een tweetal andere mensen was er niemand die bezwaar kon maken. Haar vrienden deden mee en hun lijven wierpen uitgerekte silhouetten over de gezichten van de acteurs die achter hun ruggen aan het vrijen waren. Ik keek toe vanaf mijn stoel en zat op mijn handen. Zorgvuldig vermeed ik de uitnodigende blikken en uitgestoken armen vanuit de dansende menigte. Toen zelfs de twee andere mensen uit het publiek zich bij hen voegden, stond ik ook op. Ik schuifelde in hun richting, probeerde te bewegen, ritme in mijn lijf te krijgen, maar liep steeds opnieuw vast. Snel bewoog ik me naar de zijkant, naar de gordijnen waar ik bleef staan en met de franjes aan mijn shirt speelde, terwijl mijn blik op en neer schoot tussen Vita en de uitgang.


‘Ik denk dat David je wel leuk vindt,’ fluisterde ze me toe terwijl ze de punt van haar keu krijtte. Haar topje had een open achterkant en ik telde de botjes in haar rug. We hadden ons na de film naar een café in een kraakpand verplaatst. Vanuit de hoek van de ruimte had ik de hele avond in stilte naar het pikzwarte haar van David gestaard.

Om ons heen klonken luide bastonen en de zoete geur van wiet maakte de lucht zwaar. Er stonden banken door het hele ruimte. In het midden was een dansvloer aangelegd met vastgeplakte Twister zeilen. De felgekleurde stippen leken te bewegen onder de feestverlichting. Ik werd er dronken van. David zat op de bank en keek ook naar mij. Ik vroeg me af of wij ooit samen naakt sigaretten zouden roken.

‘Nee joh,’ mompelde ik. Ze hoorde het niet, sloeg een arm om me heen en drukte een kus op mijn wang.

Om de pooltafel had zich een groepje mensen verzameld. Met haar krullen die wild alle kanten op stonden was ze één wolk van onverbloemde energie, geladen met elektriciteit.

‘Vertel eens over die keer dat je je oorlellen probeerde te stretchen,’ zei David, die zich inmiddels ook bij de groep had aangesloten. Hij tikte een peuk uit zijn pakje, terwijl hij me een knipoog gaf.


‘Je denkt het ijs zelf in je lijf,’ zei Vita. ‘Dat betekent dat je het er ook weer uit kunt denken.’

Later die avond renden we door de straten. Vita’s hand omklemde de mijne en om de beurt slingerden we elkaar naar voren. Ik had haar eerder verteld over de angst, over hoe het soms voelde alsof er langzaam ijs in mijn ledematen sloop als ik vrij wilde bewegen, zoals zij.

‘Je moet er doorheen dansen,’ zei ze.

Bij het horen van die woorden verstijfde ik. ‘Dat lukt nooit.’

‘Je denkt het ijs zelf in je lijf,’ zei Vita. ‘Dat betekent dat je het er ook weer uit kunt denken.’ Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep, probeerde te ontdooien.

‘Wacht maar,’ zei Vita en ze zakte boog licht voorover. Door met haar handen op haar bovenbenen en dan weer op haar buik te slaan, creëerde ze een ritme. Ze begon te zingen en ik dacht alles weg behalve die tonen zo tussen de huizen. Ik bewoog mijn benen en strekte mijn vingers uit boven mijn hoofd, eerst nog zelfbewust, later steeds iets minder. Ik ademde wolken en rook haardvuren in de lucht. Toen ik mijn ogen opende zag ik de lichtjes in de ramen door mijn blikveld schieten. Vita zat op een muurtje en klapte in haar handen.

‘Precies zo!’ riep ze. Ik hoorde haar voeten op de klinkers neerkomen. Voelde haar armen om me heen, haar hand in de mijne.

We tolden door de nacht, totdat we onszelf uiteindelijk uitgeput in de sneeuw lieten zakken. In mijn benen zat geen ijs meer. Vita zuchtte.

‘Ga je deze zomer mee naar Amerika? Naar mijn familie?’

‘Ja,’ zei ik buiten adem.

‘We kunnen rondreizen.’

‘Ja,’ ik sluit mijn ogen.



25 februari 2012 VITA 10:51

Ga je mee de wereld in vandaag?


25 februari 2012 IK 10:54

Beetje moe en heb tentamens. Ga jij maar, ik ben er snel weer bij.



Ik kijk naar een foto op Facebook met haar naam eronder. De datum erboven vertelt me dat het inmiddels april is. Hulpdiensten hebben een groot doek over het stalen karkas gelegd, maar het verhult niet dat de auto korter lijkt dan op de foto’s die Vita me stuurde voordat ze wegreden. Waarschijnlijk door de klap. Ik zie ze voor me, zij en een vriend die ik alleen van foto’s kende. Twee blije mensen op een roadtrip.


Je gezicht zie ik niet. Dat hoeft ook niet.

‘Vita is dood,’ zeg ik tegen mijn huisgenoot, een lijzige jongen wiens ogen ik door zijn lange pony nog nooit gezien had.

‘Oh,’ mompelt hij alleen maar, waarna hij zijn koptelefoon weer op doet en wegkijkt van mijn gesnik. De wereld klopt niet meer, doodgaan past niet bij je naam, dus kruip ik in bed. Ik sluit de gordijnen en trek de deken over mijn hoofd om buiten te houden wat niet binnen mag komen. Maar het is er al, dus pak ik mijn telefoon. Ik open mijn Facebook en zoek je profiel op, scrol door de berichten, dan terug naar boven en kijk naar je omslag. Op de foto sta je op een brug, met je buik tegen de reling. Het is hartje zomer en het en het lijkt alsof je jezelf ieder moment naar voren kan werpen om zo het water in te duiken. Je gezicht zie ik niet. Dat hoeft ook niet. In plaats daarvan staar ik eindeloos naar je zongebruinde rug, terwijl ik in gedachten keer op keer je mooie ruggenwervels tel.



Joanne van Beek (1993) schrijft verhalen en gedichten. Ze woont in Amsterdam en studeerde aan de Schrijversvakschool. Ze werd geselecteerd voor de Lage Landen Schrijfweek, publiceerde op Hard//hoofd en in de wedstrijdbundel van De Gedichtenwedstrijd (Prijs de Poëzie). Ook won ze Het Rode Oor 2020. Verder was ze een van de medeoprichters van ‘VIRUS / verhalen om te lezen in quarantaine’. Hiervoor maakte ze ook de illustraties. www.virusverhalen.nl.