Chrysanten in oktober (romanfragment uit canis)

door Eva De Gelder


We zwegen veel toen, de dingen hadden hun plaats en wij hadden ieder onze rol in dit schouwspel

En toen belde je ineens. Over het appartement, over de sleutels, over de verzekeringen, het overdragen van de lening en de eigendomsrechten. Over de rechtmatige eigenaar van de broodrooster, over muren, over papieren. Ik riep, en jij riep, en ik tierde, en dan tierde jij nog luider, en dan bleitte ik, en jij ook. Over de voogdij van onze zetel, en of die camera een cadeau was voor mij of voor jou. En dat er nog foto’s op stonden van onze laatste reis, toen er al barstjes zaten in het marmer die niet zichtbaar waren voor het blote oog, maar die je zachtjes verder kon horen lopen in de stiltes na het weer en de planning voor de volgende dag. Dat het er zo mooi was. We zwegen veel toen, de dingen hadden hun plaats en wij hadden ieder onze rol in dit schouwspel, dat zo abrupt eindigde, en nu was het improviseren voor een lege toonzaal, deed jij de dingen die ik ooit deed, en omgekeerd. Dat al je hemden grijs waren uitgeslagen, en je niet wist dat wol om een speciaal wasproduct vroeg. En of de tafel echt om de vier weken moest worden ingevet, of dat het misschien niet zo nauw stak. En ik die met een monkellach toegaf dat ik twee weken eerder voor het eerst een zekering had teruggezet, onder telefonische begeleiding van mijn schoonbroer, omdat ik niet wist hoe, en ik nu zelf het doucheputje moest leegmaken, en het nog steeds niet kon zonder kokhalzen. Hierop lachte je, en ik lachte in respons. Er viel een korte stilte, dachten we aan hetzelfde? Je zei eens dat het allemaal niet uitmaakte, zolang ik terugkwam. Hoever was je toen al? Was het een prelude, een voorgevoel, of een profetie die jij sneller aanvoelde dan ik? Waren mijn noden zoveel monsterlijker dan die van een ander, zoveel sterker en doortastender? Ik heb ze al vaak vervloekt.

En vier dagen geleden had je een oud boodschappenlijstje van mij gevonden tussen een magazine, een rappel in mijn handschrift van geen Dreft vergeten te kopen met een uitroepteken erachter, en inlegkruisjes, en daarna een opsomming van ingrediënten, look, koriander, wortels, paprika’s, twee à drie stuks, en kip, liefst van het zachte billetjesvlees, en anders gewoon filets. Dat je je afvroeg wat ik die dag zou hebben gemaakt, en je moeite had dit reliek uit een gezamenlijk verleden weg te gooien. En ik die ’s nachts soms wakker werd omdat ik zou zweren dat ik je hand op mijn onderrug voelde rusten, zoals we altijd sliepen. En ik die nu vroeg of we, misschien, als je de tijd had, niet beter eens iets gingen drinken, als dat oké was voor jou. En je zei ja.


ik die hierop dieper in mijzelf wegzonk, waarbij het bloed wegtrok uit mijn lippen en uiteinden, en enkel mijn romp nog gewaarwerd, een holle grot achter de ribben waarin alle spraak verstomde.

En hoe vreemd was het niet, om je op de kaak te kussen, en dat ook wij nu de rituele begroeting aannamen – çava, çava met u, çava – waar ik vroeger je mond kuste, je handen, je oorlel, je schouderbladen. En het was helemaal niet çava, niets was çava, je was vermagerd en grijzer rond de slapen, en ik rookte meer dan vroeger, achteloos, de een na de ander, uit ongemak om al hetgeen dat in mijn longen borrelde het zwijgen op te leggen, mijn woorden te wikken en tijd te kopen, waar in godsnaam te beginnen. Ik had me dit anders voorgesteld, een beetje bijpraten, een deel praktisch, liefst zonder geroep, en een kans ons beider berouw te etaleren naast de asbak die voller en voller geraakte. Ik wou gerust beginnen. In plaats daarvan vervielen we beiden in clichés, jij die je nieuw herwonnen vrijheid zegevierde met roemruchte opgeklopte verhalen over soirees vol drank en nieuwe boezemvrienden, het uiterlijk, het succes, en het geld verbrassen. En ik die hierop dieper in mijzelf wegzonk, waarbij het bloed wegtrok uit mijn lippen en uiteinden, en enkel mijn romp nog gewaarwerd, een holle grot achter de ribben waarin alle spraak verstomde. Alsof ik mijn volledige lichaam had gedoopt in stearine, luchtdicht met al ons vroeger, dat leefde op mijn huid en nu afgesneden was om een trage dood te sterven, en wat achterbleef was een relikwie die rook naar chrysanten in oktober.


Je kent mij. Eens mijn woorden wegzakken geraken ze de natte wanden niet meer omhoog.

Je kent mij. Eens mijn woorden wegzakken geraken ze de natte wanden niet meer omhoog. En dus lag ik ’s nachts te trekken met al mijn gemis en frustratie die ik aan jou niet kon openbaren in de voorbije gezeten uren. En ik weet dat ik heb gefaald, mijn lief, ik draag het falen in mijn vacht als hardnekkige luizen die mij vergezellen van vers beddengoed tot nachtelijke dauw. En uit jouw naam voed ik ze, kus ik ze, en zal ik ze nimmer verloochenen.