Ochtendvluchten zijn slecht voor mijn lijn.


Een verhaal door Eva De Gelder


Ik had de vraag niet begrepen. Mijn oren zaten nog dicht van het opstijgen, en mijn simultaan geeuwen had een zodanig luid gekraak veroorzaakt dat het een film legde over alle externe ruis. Dergelijk geluid deed mij altijd denken aan het kraken van een walnoot, en instinctief greep ik naar mijn achterhoofd, alsof ik wou controleren dat het nog heel was en vrij van barsten.


Afgelopen nacht was er één waarin ik mijzelf wederom had proberen wijsmaken dat ik als volwassene wel om half negen kon gaan slapen. In de realiteit had ik constant liggen woelen, zag ik mijn potentiële slaaptijd elk kwartier ongenadig slinken en had ik om een onverklaarbare reden tot huilens toe de Copacabana liggen zingen. Her name was Lola. She was a showgirl, with yellow feathers in her hair and a dress cut down to there. Tegen half twee was ik klaar om Lola, Tony en Rico af te schieten, maar de oorwurm had andere plannen, en dus zong ik vloekend verder – at the Copa, copa-cabana – non-stop, tot wanneer mijn wekker afging, om drie uur ’s morgens.


"Ik realiseerde mij weer wat voor een onnozelheid het is, het idee dat een uniform zou uniformiseren."


Ik vroeg mijn collega of ze de vraag kon herhalen. Ik bekeek haar. Waar ik mijn haar vlugvlug had samengeperst in een dot, stond voor mij een vrouw die op dit onmogelijke uur de moeite had genomen haar haar zodanig minutieus op te rollen totdat het leek op een gordeldier in rust, wat er beter uitzag dan het klonk. Boven haar mondmasker prijkten een paar zorgvuldig opgemaakte ogen. Ze was mooi, of nee, elegant, dat was het woord. Ja, dit was een elegante vrouw. Het type dat met een pepermunt-adem uit bed rolde en er zo kon uitzien om 6 uur ’s ochtends. Het type dat op vlak van menselijke esthetiek duidelijk iets wist dat ik niet wist. Mijn make-up ging na amper 40 minuten als het ware drijven op mijn gezicht, alsof mijn huidcellen roteerden en verhuisden in wijzerzin. Ik realiseerde mij weer wat voor een onnozelheid het is, het idee dat een uniform zou uniformiseren. De waanvoorstelling dat de combinatie van een pakje en een sjaaltje als grote gelijkmaker onder mensen zou werken.


Ze moest ook eerst geeuwen voor ze kon antwoorden, en ze trok haar perfect geëpileerde wenkbrauwen al lachend op, in iets dat wees op gedeeld begrip, een opgedane kennis van lotgenoten. “Vroeg he?” Ik knikte. Het had iets insider-achtig, deze vermoeidheid. Alsof we deel uitmaakten van een clubje met een begrensd lidmaatschap. Waar andere werknemers elkaar trachten te imponeren met hun ‘druk-druk’, hanteerden wij relatieve tijdsverwijzingen om de zwaarte van onze inzet te bewijzen. Zoveel ‘vroeges’ deze maand, sign in om 5 uur, nachtvlucht, pas om 9 uur geland van Kinshasa. Zulke dingen. Elk werk had zijn codes die geen verdere uitleg behoefden. ‘Druk-druk’ en ‘vroeg he’ waren uiteindelijk niets meer of minder dan de werkvloerlijke tegenhangers van ‘ça va? ça va’. En dus beaamde ik: ja, vroeg.


"Het verbaasde mij, dat zelfs een vrouw als zij dat keurslijf van een uniform had geïnternaliseerd."


Of ik een croissant wou hebben, dat was dus blijkbaar de vraag. Ze hield ze uitnodigend voor mijn neus. Normaal eet ik niet graag croissants, maar net zoals ik tot mijn 20ste lust niet van verliefdheid kon onderscheiden, zo had mijn lichaam op dit uur moeite om de begrippen ‘honger’ en ‘moe’ uit elkaar te houden. Ochtendvluchten: ze waren slecht voor mijn lijn.

Al smikkelend vroeg ik of zij er geen wou hebben, en ze maakte een afwijzend repetitief geluidje – tutututut – terwijl haar handen vluchtig haar heupen raakten. “Dat ik nog in mijn uniform pas”, dat zei ze. Schuldbewust wreef ik de kruimels uit mijn mondhoeken, de vettige smaak die aan mijn verhemelte plakte ging mij nu al tegen. Ik begreep haar wel, en toch verbaasde het mij, dat zelfs een vrouw als zij dat keurslijf van een uniform had geïnternaliseerd. De verdraaide uitkomst van de equatie, dat als de split van de rok te hoog komt, het wilt zeggen dat uw benen te lang zijn of uw kont te dik, en niet het uniform te klein. De vanzelfsprekendheid dat wij er ons aan dienden aan te passen, en niet omgekeerd. Dus nee, ze wou er geen, maar ik mocht er wel een paar naar de cockpit brengen. Ook nu trok ze haar wenkbrauwen veelbetekenend op. En ook nu wist ik waar ze op alludeerde.


Ik gaf mijn collega’s bijnamen die ik strikt voor mijzelf hield. De militante vakbondsafgevaardigde die ik spottend ‘Joan of Arc’ noem, of de Chef de Cabine die er heel aardig uitziet tot wanneer ze haar mond opentrekt, en naar wie ik innerlijk verwijs als ‘de kleine keffer’. 2000 jaar na zijn overlijden liep Caligula nog springlevend bij ons rond in de vorm van een onappetijtelijke pad die half-verwachtte dat je hem als een dikke Romeinse keizer toewuifde met palmbladeren. En in een soortgelijke benaming zat nu voor mij Captain knock-knock.


"Captain Knock-Knock...een man die zijn geuzennaam dankte aan zijn verzoek voor het binnentreden van hotelkamers die niet de zijne waren. "


Een cockpitstoel staat op rails, je kan je er in alle windrichtingen mee bewegen aan de hand van één knopje, een paar keer ‘bzzz’ tot wanneer je perfect zat. En dat deed zijn stoel, bzzz-bzzz, alwaar ik – toch de volle meter 58 – met een gedraaid hoofd en mijn rechteroor tegen dat belachelijk lage plafond vol knoppen stond, en hij in de ideale positie zat om mij van kop tot teen te keuren. Hij draaide zich breed lachend om. Unlike Lola was mijn kleed niet tot hier uitgesneden, maar de manier waarop hij mij bekeek zou doen vermoeden van wel. Dit was uiteindelijk te verwachten gedrag van een man die zijn geuzennaam dankte aan zijn verzoek voor het binnentreden van hotelkamers die niet de zijne waren. “Vroeg he?” Ja, ook Captain knock-knock hield zich aan het pro-forma taalgebruik.


Ik bood hem de croissants aan, en terwijl hij er één greep knipoogde hij suggestief. Het is ongelofelijk hoe sommige mannen van gelijk welk gebaar iets seksueel kunnen maken. Maar nog ongelofelijker was dat ik mij geflatteerd voelde door zijn openlijk flirten. Niet verbolgen – zoals het hoorde – maar gevleid. Nu kon ik het mijzelf tot een bepaalde hoogte vergeven: Captain knock-knock was allesbehalve een Harvey Weinstein. Hij was charmant, knap, en niet opdringerig: hij liet je evengoed gerust zodra je hem had weggewuifd. Het type dat zijn opties uitprobeerde zonder ze af te dwingen, die je costum-made complimenten gaf die verder reikten dan ‘je ziet er goed uit’. Maar dat verklaarde niet alles.


Het vliegen is een rare wereld. Er zijn weinig sectoren waarin de LGBTQ-gemeenschap zo gerepresenteerd is als bij ons, en waar tegelijkertijd de man-vrouw verhouding nog steeds zo klassiek is. Weinig beroepen waar die zweem van mysterie, avontuur en seks zo prominent rondhangt als het onze. De vraag of ik lid ben van de ‘mile high club’ is mij al meer gesteld dan ik kan bijhouden. En hoewel zulke opmerkingen binnen onze gemeenschap op hoongelach werden ontvangen, lag aan de oorsprong van dit fabuleuze rookgordijn een smeulende kern van waarheid, want binnen een luchthaven, binnen een vliegtuig, binnen een cockpit hing er altijd een nevel van vluchtige feromonen, waardoor zelfs iemand als onze Caligula nog op aantrek kon rekenen, en een Captain knock-knock dus al helemaal.


Seks en intriges: ze maakten deel uit van het vliegwezen. Er is een reden dat er altijd wel een kortere en strakkere variant op onze werkkledij in het voorraadruim van de verkleedwinkel ligt. We hadden niet enkel een male gaze ontwikkeld, maar ook een plane gaze, en die nam het over zodra we ons begaven naar dat fallus-achtige ruimtetuig.


"Piloten: ze vonden het fantastisch als ze je iets konden uitleggen."


Mijn blik dwaalde af naar de bergen buiten. Vanaf hier gezien leken ze meer op obstakels van 7 verdiepingen hoog, of iets waar je hooguit een uurtje of twee over zou zweten eer je de top bereikte, dan op de mastodonten die ze in werkelijkheid vormden. Waar waren we? Waar vlogen we? Het was iets dat passagiers vroegen. Normaal dacht ik hier niet aan. 90% van de tijd was ik zo geabsorbeerd door de routinematige handelingen dat ik het avontuurlijke van onze werkomgeving vergat. Het gevecht met bagages, het gesleur met trolleys, de koffie en de thee, the beef or the fish, en de latente ergernis dat er toch altijd iemand in slaagde luidkeels CHICKEN te antwoorden.


“Waar we zijn?” Hij wees glunderend naar een piek linksonder. “Da’s de Matterhorn, zoveel voet onder ons. En dat daar: het meer van blablabla, en kijk: daar vliegt Swiss met hun nieuwe A-321. Zie je het?” Ik moest lachen. Piloten: ze vonden het fantastisch als ze je iets konden uitleggen, maar ik kon moeilijk toegeven dat ik na 9 jaar vliegen nog steeds niet het verschil zag tussen een Airbus en een Boeing, en dat ik binnensmonds nog steeds de Copacabana aan het zingen was.